1. Het materiaal bevat een "controle van de fout", d.w.z. dat het kind zelf zijn fout ontdekt doordat aan het eind van zijn oefening blijkt dat er iets niet past. In veel van het beginmateriaal is de controle mechanisch, later wordt deze verkregen door de geoefende zintuigen die het kind een bepaalde disharmonie doen waarnemen. Nog later kan door verworven kennis de fout worden opgespoord. Deze controle van de fout is fundamenteel, omdat het kind door zelfwerkzaamheid en zelfvertrouwen alle aspecten van zijn persoonlijkheid kan ontwikkelen.
2. Elk materiaal bevat een specifieke eigenschap die er a.h.w. uitspringt; dit noemt Maria Montessori de "isolatie van de eigenschap".
3. Het materiaal is beperkt in zijn hoeveelheid. Elk materiaal bestaat uit één geheel met een niet te groot aantal onderdelen, meestal niet meer dan tien (roze toren, bruine trap, enz.), zodat het overzichtelijk blijft voor het kind en helpt zijn indrukken te ordenen. Bovendien is van alle materialen slechts een of enkele exemplaren aanwezig waardoor de kinderen op elkaar leren wachten en met elkaar leren samenwerken; elke behoefte wordt niet onmiddellijk bevredigd maar het kind leert zich ook aan te passen.
4. Het materiaal ziet er aantrekkelijk uit en lokt door glans, kleur en harmonische vorm om door het kind gepakt te worden. Maria Montessori noemt dit de "stem der dingen". Vooral het esthetische gevoel van het kind wordt hierdoor bevorderd. 5. Het materiaal wekt de aandacht en interesse van het kind op en houdt deze gaande waardoor het kind er langere tijd zelfstandig mee kan manipuleren. Het lokt tot herhaling, er zijn diverse mogelijkheden in en het kind doet er verscheidene ervaringen mee op. Hierdoor sluit het aan bij de innerlijke behoeften van het kind.




